1.1      Wijzigingen in de tarieven loonbelasting

Het tarief in de eerste tariefschijf daalt licht, maar het tarief in de tweede tariefschijf stijgt licht.

Daling tarief eerste tariefschijf
Het tarief van de eerste tariefschijf daalt per 1 januari 2026 van 35,82% naar 35,75%. Deze eerste tariefschijf loopt tot een inkomen van € 38.883. Deze tariefsverlaging en schijfverlenging leveren maximaal € 35 minder belasting op.

Stijging tarief tweede tariefschijf
Het tarief van de tweede tariefschijf bedraagt in 2026 37,56%. Deze schijf loopt tot een inkomen van € 78.426. Door de schijfverlenging levert dit, ondanks de lichte tariefsverhoging, maximaal € 162 minder belasting op.

Hoogste tariefschijf blijft gelijk
De hoogste tariefschijf blijft in 2026 49,50%.

1.2     Wat zijn de wijzigingen voor de heffingskortingen?

Ook de heffingskortingen zijn aangepast. Hoe zien de cijfers er in 2026 uit?

Algemene heffingskorting weer iets omhoog, maar ook afbouwpercentage iets omhoog
Om te zorgen dat belastingplichtigen met een wettelijk minimumloon (WML) recht hebben op de maximale algemene heffingskorting, is het afbouwpunt van de algemene heffingskorting gekoppeld aan de hoogte van het WML. In 2026 begint dit afbouwpunt op € 29.736 (2025: € 28.406) Het afbouwpercentage is in 2026 met 6,398 % iets hoger dan in 2025 (6,337%). De maximale algemene heffingskorting is in 2026 met € 3.115 weer iets hoger dan in 2025 (€ 3.068). Vanaf de hoogste tariefschijf (in 2026 € 78.426) bedraagt de algemene heffingskorting € 0.

Arbeidskorting en afbouwpunt iets verhoogd, afbouwpercentage gelijk

De maximale arbeidskorting is in 2026 iets verhoogd naar € 5.685 (2025: € 5.599). De opbouw van de arbeidskorting vindt plaats tot een loon van € 45.592 (2025: € 43.071). Vanaf € 45.592 wordt de arbeidskorting afgebouwd met 6,51% (hetzelfde percentage als in 2025 en 2024). Vanaf een loon van € 132.920 bedraagt de arbeidskorting € 0.

Let op!
Betaalt u een (arbeidsongeschiktheids)uitkering aan een werknemer, dan kunt u daar nu, onder voorwaarden, arbeidskorting op inhouden. Keert het UWV zo’n uitkering uit, dan kan het UWV geen rekening houden met de arbeidskorting. De Hoge Raad vond dit verschil in behandeling eind 2024 in strijd met het discriminatieverbod. Daarom is al aangekondigd dat een werkgever vanaf 2027 ook geen arbeidskorting meer mag toepassen op de uitbetaling van een (arbeidsongeschiktheids)uitkering.

Ouderenkorting stijgt licht
De maximale ouderenkorting is licht gestegen naar € 2.067 in 2026 (2025: € 2.035). Ook het afbouwpunt is licht gestegen naar € 46.002 in 2026 (2025: € 45.308). Het afbouwpercentage bedraagt – net als in 2025 en 2024 – 15%. Vanaf € 59.782 (in 2025 € 58.875) bestaat geen recht meer op de ouderenkorting. De alleenstaandeouderenkorting bedraagt in 2026 € 540 (2025: € 531).

1.3     Gelijke gedifferentieerde Awf-premie maar hoger maximumpremieloon

De gedifferentieerde premie voor het Algemeen Werkeloosheidsfonds (Awf) bestaat uit een hoge en lage Awf-premie. U mag als werkgever een lage Awf-premie toepassen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Voldoet u daar niet aan, dan betaalt u een hoge Awf-premie. De voorwaarden hebben betrekking op de arbeidsovereenkomsten van uw werknemers en zijn bedoeld om vergaande flexibele contracten tegen te gaan en vaste contracten te beschermen.

De Awf-premie is in 2026 voor beide premies gelijk aan die in 2025. De lage Awf-premie bedraagt 2,74%, de hoge Awf-premie 7,74%. Het maximumpremieloon steeg de afgelopen jaren al flink (van € 66.956 in 2023, naar € 71.628 in 2024 en € 75.864 in 2025). In 2026 stijgt het maximumpremieloon nog verder, namelijk naar € 79.409. Voor werknemers met een premieloon vanaf € 75.864 kunt u als werkgever in 2026 dus maximaal € 97 (bij de lage premie) en € 274 (bij de hoge premie) per werknemer meer verschuldigd zijn aan Awf-premie.

Contracturenherziening vanaf 2025
Vanaf het jaar 2025 moet een werkgever met terugwerkende kracht alsnog de hoge Awf-premie toepassen als een werknemer met een arbeidscontract van gemiddeld 30 uur of minder per week meer dan 30% meer verloonde uren dan contracturen heeft.

1.4     Hogere premies Werkhervattingskas in 2026

Jaarlijks draagt u als werkgever sociale premies af voor de Werkhervattingskas (Whk). Het gemiddelde premiepercentage van de premiecomponent WGA stijgt van 0,83% in 2025 naar 0,96% in 2026. Het gemiddelde percentage van de premiecomponent ZW-flex stijgt van 0,50% in 2025 naar 0,56% in 2026. De stijging komt vooral door meer (jonge) langdurige zieken, als gevolg van onder meer long covid en psychische aandoeningen. Hierdoor wordt er vaker een beroep gedaan op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Gemiddelde premieplichtig loon
De berekening van de gedifferentieerde premie Whk is afhankelijk van de grootte van uw onderneming. Op basis van de loonsom in 2024 wordt bepaald in welke categorie u als werkgever in 2026 valt. De basis hiervoor is het gemiddelde premieplichtig loon. Dit bedraagt in 2025 nog € 39.600 en stijgt in 2026 naar € 43.300.

Grenzen kleine/middelgrote/grote werkgever
De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt in 2026 bij een loonsom van maximaal € 1.082.500 (in 2025 € 990.000). Bij een loonsom van meer dan € 4.330.000 is in 2026 sprake van een grote werkgever (in 2025 € 3.960.000).

Let op!
Het gaat in 2026 om de loonsom van twee jaar eerder, dus 2024. Bedroeg de loonsom in 2024 maximaal € 1.082.500, dan is sprake van een kleine werkgever.

Beschikking van Belastingdienst
U ontving, als u een grote of middelgrote werkgever bent, eind 2025 een beschikking van de Belastingdienst over de hoogte van de premie. De hoogte daarvan hangt voor grote en middelgrote werkgevers namelijk af van de instroom van werknemers in de ZW en WGA. Het is verstandig om binnen zes weken na dagtekening van de beschikking Whk pro forma bezwaar te maken, in afwachting van instroomlijsten.

Kleine werkgevers kregen in december 2025 een mededeling van de Belastingdienst. Als kleine werkgever betaalt u een premie die afhankelijk is van de sector waarin u werkzaam bent. De premie is een vast percentage waartegen u niet in bezwaar kunt komen. Controleer wel altijd of de toegepaste sector nog aansluit bij de activiteiten van uw onderneming.

Let op!
Naast de premiepercentages voor het jaar 2026 kan ook de stijging van het maximale premieloon van invloed zijn op de hoogte van de door u af te dragen premie. Het maximale premieloon stijgt in 2026 namelijk naar € 79.409 (in 2025 nog € 75.864). Voor werknemers met een premieloontussen € 75.864 en € 79.409 kunt u als werkgever daarom te maken krijgen met meer verschuldigde premie, ook als de premiepercentages ten opzichte van 2025 zijn gedaald. 

Teruggaaf of naheffing gedifferentieerde premie Whk
Betaalde u in uw aangifte loonheffingen te veel of te weinig premie Whk? Bijvoorbeeld omdat u als startende werkgever de gedifferentieerde premie Whk na 1 januari van de Belastingdienst ontving of omdat de Belastingdienst het premiepercentage aanpaste na een bezwaar tegen de beschikking Whk? Dan hoeft u geen correctie te versturen voor de gedifferentieerde premie Whk, maar kunt u via een formulier verzoeken om teruggaaf dan wel naheffing van de premie.

1.5     Daling premies Zvw in 2026, hoger premieloon

De premies voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) dalen in 2026 met 0,41%-punt. Dit geldt zowel voor de premies die werkgevers voor hun personeel betalen (6,10% in 2026) als voor de premies die zelfstandigen en dga’s voor zichzelf moeten afdragen (4,85% in 2026).

Let op!
De percentages vallen in 2026 voornamelijk lager uit vanwege een eenmalig voordeel in het Zorgverzekeringsfonds. Het voordeel is ontstaan doordat er in het verleden meer Zvw opgehaald is dan verwacht. Dit voordeel wordt in 2026 teruggegeven in de vorm van een daling van de percentages.

Het maximumpremieloon steeg de afgelopen jaar al flink (van € 66.956 in 2023, naar € 71.628 in 2024 en € 75.864 in 2025). In 2026 stijgt het maximumpremieloon nog verder naar € 79.409. Dankzij de daling van de percentages, daalt echter de maximale premie Zvw in 2026 ten opzichte van 2025. Zo bedraagt de maximale door een werkgever verschuldigde premie in 2025 nog € 4.938 (6,51% van € 75.864), maar daalt deze in 2026 naar € 4.843 (6,10% van € 79.409). De maximale door de verzekeringsplichtige verschuldigde premie bedraagt in 2025 nog € 3.990 (5,26% van € 75.864), maar daalt in 2026 naar € 3.851 (4,85% van € 79.409).

1.6     Welk loon is belastingvrij bij een overlijden?

Bij een overlijden van een werknemer mag u een eenmalige uitkering of verstrekking geven. Deze is onbelast voor zover deze niet meer bedraagt dan drie keer het maandloon van de werknemer.

Wat is het maandloon?
Aan de Belastingdienst is gevraagd wat het maandloon voor deze regeling is in de volgende situatie. De werkgever kort het loon van een werknemer per 1 augustus tot 70% van zijn bruto maandloon, omdat de werknemer meer dan 52 weken ziek is. Op 15 augustus zegt de werkgever aan alle werknemers een verhoging van het bruto maandloon toe per 1 oktober. De werknemer overlijdt op 20 augustus.

1/12 van het bruto jaarloon
De Belastingdienst geeft aan dat in beginsel voor de berekening van het maandloon moet worden uitgegaan van 1/12 deel van het vaste bruto jaarloon van de werknemer. Dit omvat niet alleen het al genoten loon, maar ook het nog te genieten loon in een jaar. Om die reden moet ook rekening gehouden worden met de verlaging tot 70% van het bruto maandloon én de toegezegde maandloonverhoging per 1 oktober.

Wat hoort nog meer tot het jaarloon?
Bij de berekening van het maandloon mag u ook rekening houden met de maandelijks opgebouwde vakantiebijslag en andere vaste gegarandeerde (bijzondere) beloningen, zoals een dertiende maand. Ook de bijtelling van de auto van de zaak kunt u meenemen.

1.7     Meer loonheffing inhouden op verzoek werknemer

Als een werknemer bijvoorbeeld gelijktijdig meerdere dienstbetrekkingen heeft, kan het zijn dat de loonheffing die totaal wordt ingehouden bij deze dienstbetrekkingen lager is dan de werknemer bij zijn aanslag inkomstenbelasting moet betalen. Dit heeft te maken met de verschillende tariefschijven in de loon- en inkomstenbelasting, waarbij vanaf een bepaald inkomen een hoger tarief geldt (progressief tarief). De verschillende werkgevers houden geen rekening met het loon bij de andere dienstbetrekkingen, maar voor de aanslag inkomstenbelasting worden deze lonen wel bij elkaar opgeteld.

Om te zorgen dat de loonheffing meer overeenstemt met de inkomstenbelasting, kan een werknemer aan zijn werkgever vragen om meer loonheffing in te houden.

Alleen op verzoek/met toestemming
Het inhouden van meer loonheffing in afwijking van wat de tabellen berekenen, mag alleen op verzoek van de werknemer of met zijn toestemming.

Niet verplicht
Een werkgever is overigens niet verplicht om in te gaan op een dergelijk verzoek van een werknemer. Wil een werkgever niet meer loonheffingen inhouden en wil een werknemer toch voorkomen dat hij bij de aanslag inkomstenbelasting geconfronteerd wordt met een bij te betalen bedrag? Dan kan de werknemer altijd zelf de Belastingdienst verzoeken om een voorlopige aanslag op te leggen.

1.8     Vereenvoudigde inlenersaansprakelijkheid

Als een uitlener de loonbelasting, sociale verzekeringspremies en omzetbelasting niet betaalt die verschuldigd zijn vanwege het uitlenen van arbeidskrachten, kan de Belastingdienst de inlener of doorlener aansprakelijk stellen. De inlener of doorlener kan het risico op aansprakelijkstelling beperken door een deel van de facturen van de uitlener of doorlener op een g-rekening te betalen. Voldoet de inlener of doorlener aan de daarvoor verplichte administratie, dan geldt er een vrijwaring tot het op de g-rekening betaalde bedrag.

Vanaf 2027 komen er twee bewijsvermoedens in de wet waardoor het voor de Belastingdienst eenvoudiger wordt om een inlener en doorlener aansprakelijk te stellen. De bewijsvermoedens in de inlenersaansprakelijkheid treden gelijktijdig met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in werking.

Vermoeden omvang aansprakelijkheidsschuld
Zo krijgt de Belastingdienst de mogelijkheid om een beroep te doen op een vermoeden over de omvang van de aansprakelijkheidsschuld ter grootte van 35% van de factuursom. De Belastingdienst kan de inlener en doorlener dan straks aansprakelijk stellen voor (gezamenlijk) maximaal 35% van de factuursom, zonder verder onderzoek te doen naar de daadwerkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld.

De inlener of doorlener heeft wel een tegenbewijsmogelijkheid met betrekking tot de werkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld. Zo kan bijvoorbeeld tegenbewijs geleverd worden op basis van stukken uit de eigen administratie.

Tip!
Deze aansprakelijkstelling is straks alleen mogelijk als de inlener of doorlener minder dan 35% van de factuursom op de g-rekening betaalt. De inlener of doorlener is immers gevrijwaard tot het op de g-rekening gestorte bedrag.

Vermoeden uitlener
Het tweede bewijsvermoeden dat geïntroduceerd wordt, is dat een onderneming die ingeschreven is in het openbaar register als toegelaten uitzendonderneming, een uitlener is. De Belastingdienst hoeft dan dus niet te onderzoeken of sprake is van inlening of aanneming van werk, maar kan de fiscale inlenersaansprakelijkheid toepassen.

Ook voor dit bewijsvermoeden geldt een tegenbewijsmogelijkheid. De inlener of doorlener kan, ondanks de inschrijving van de uitlener in het openbaar register, proberen aannemelijk te maken dat sprake was van aanneming van werk.

Let op!
Het openbaar register is onderdeel van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, die met ingang van 1 januari 2027 in werking treedt. Na inwerkingtreding van deze wet zal een toelatingsstelsel gaan gelden binnen de uitzendsector.

Beleidsmatige vrijwaring
Naast deze twee bewijsvermoedens wordt ook een beleidsmatige vrijwaring geïntroduceerd voor inleners die arbeidskrachten inhuren van uitleners of doorleners met een toelating. Voorwaarde is dat de inlener 35% van de factuursom betaalt op de g-rekening en voldoet aan de administratieve verplichtingen.

1.9     Online aanvragen verklaring betalingsgedrag

Leent u zelf personeel uit? Dan kan degene aan wie u uw personeel uitleent u vragen om een Verklaring betalingsgedrag. Met zo’n verklaring kunt u aantonen dat u aan uw aangifte- en betalingsverplichtingen voor de loonheffingen en/of btw voldoet. Dit is voor de inlener, doorlener of aannemer van belang, omdat deze aansprakelijk gesteld kan worden als u niet aan deze verplichtingen voldoet. Er zijn twee verschillende formulieren. Als uitlener gebruikt u het formulier Verklaring betalingsgedrag inlenersaansprakelijkheid (uitlener) en als onderaannemer het formulier Verklaring betalingsgedrag ketenaansprakelijkheid (onderaannemer).

Let op!
Ook in andere gevallen kan iemand u vragen aan te tonen dat u aan uw aangifte- en betalingsverplichtingen voldoet, bijvoorbeeld bij een aanbestedingsprocedure of een vergunningsaanvraag. Voor deze situatie geldt echter een ander formulier: Verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.

U kunt met DigiD een Verklaring betalingsgedrag aanvragen. De Belastingdienst streeft ernaar om binnen één week op uw onlineaanvraag te beslissen. Als er veel aanvragen zijn, kan dit langer duren. De Verklaring betalingsgedrag wordt naar het bij de Belastingdienst bekende woon- of vestigingsadres gezonden.

Aanvragen met eHerkenning is helaas nog niet mogelijk. Daarvoor moet u dus nog de pdf van de website van de Belastingdienst downloaden en deze schriftelijk indienen.

Benieuwd naar het wapen van Woudenberg?

Lees meer